De latere christenen

18 augustus 2010 21:35

De traditie verschaft de kerk geleidelijkaan inzichten over het volmaakte christelijke leven. De terugkeer naar een vroegere traditie of uitsluiting van de traditie verarmt het christelijke leven.

Inleiding
In het vroege christendom bestond het sacrament van de biecht niet. Christenen werden wel gedoopt, vaak op volwassen leeftijd, en werden zo gezuiverd van al hun zondes. Maar wanneer ze in hun latere levenswandel opnieuw aan bekoringen toegaven, kwamen ze in gewetensnood. Wie zware zonden beging, sloot zichzelf uit van de christelijke gemeente, mocht niet meer deelnemen aan de eucharistie en was dus verstoken van het heil. Om terug bij de gemeente aansluiting te vinden, moest een zondaar publiek zijn zonde belijden door het boetekleed aan te trekken. Na een -vaak lange- periode van penitentie, werd de bekeerde zondaar opnieuw opgenomen in de gemeenschap. Pas veel later werd de persoonlijke biecht ingevoerd, waarbij de belijdenis wordt uitgesproken tegenover een biechtvader, die dan ook meestal een meer private vorm van penitentie oplegt.

In de discussie die volgde op vorige post kwam het typisch verwijt naar boven, dat veel elementen van de leer van de kerk, met name betreffende de sacramenten, niet gestoeld zijn op de Heilige Schrift.  Dat zette me toch tot nadenken, met als -verrassende?- conclusie dat het de traditie is die voert tot inzicht in het volmaakte christelijke leven.

Om het christelijk leven te vervolmaken, lijkt het aanlokkelijk terug te keren naar zijn prilste vorm, het leven van de eerste christenen. Dat kan op verschillende manieren. Sommigen vinden in de Heilige Schrift de enige en letterlijke instructie voor de inrichting van een christelijk leven. Anderen gaan aan de slag met al dan niet historisch verantwoorde literatuur over het leven van de vroege christenen.  Maar wat leren die eerste christenen ons nu concreet? Het blijken niet allemaal marterlaren te zijn. Ze worstelen met de bevrijding van hun culturele of religieuze achtergrond. Ze ontwikkelen afwijkende meningen over wie Jezus is en maken daarover ruzie… net als wij vandaag. Waarom zouden we dan zo’n buitengewone waarde hechten aan de woorden en handelingen van de eerste christenen? Zo zou ik bij wijze van praktische oefening aan eenieder die wil leven als de eerste christenen willen vragen, of zij, indien ze een zware zonde begingen, het boetekleed zouden aanvaarden, zoals in de eerste gemeenten de gewoonte was. De eerste christenen stonden slechts aan het begin van een leerproces in christelijk leven.

Zoeken naar het volmaakte christelijke leven is zoeken in het heden en in de toekomst, niet in het verleden. Maar de toekomst wist het verleden niet uit! Traditie is de schakel in de ketting die ons verbindt met de eerste christenen, en die ons de kennis overdraagt die sindsdien is opgebouwd. Traditie is mensenwerk, dus spijtig genoeg zijn er ook vergissingen en misbruiken in de traditie opgenomen. Als we de traditie echter in het perspectief plaatsen van een geschiedenis van twee millennia en van een toekomst van god-weet-hoeveel meer millennia christelijk leven, mogen we stellen dat de traditie in zich niet de fouten, maar de lering draagt van alle vergissingen en misbruiken die de kerkelijke leer misvormd hebben. Traditie is immers geen gesloten boek: ze wordt beleefd en ze leeft. Hoewel het op korte termijn en voor ongeduldige zielen soms anders overkomt, is traditie een evolutionair proces dat wordt getoetst aan het liefdesgehalte in het dagelijks leven van elke gelovige.

Als we de traditie aanvaarden en beleven, winnen we tweemaal! Een eerste keer omdat we de opgeslagen kennis en ervaring van eeuwen christelijk leven zonder veel moeite kunnen opnemen in de inrichting van ons eigen leven. Een tweede keer omdat we zelf een bouwsteen van de traditie uitmaken, door de goeie elementen ervan te bevestigen in onze gemeenschap en over te dragen op onze kinderen, de latere christenen… Als we de traditie verwerpen, doen we niet alleen onszelf tekort, maar -wat nog erger is- ontzeggen we haar ook aan al die na ons komt.





We krijgen alles van God, behalve…

15 augustus 2010 22:12

Het onze-vader is het kerngebed van ons geloof. Maar wat betekent dit gebed?

Het is een smeekgebed. Vooral het tweede deel is concreet. Het is het deel dat, wanneer men samen bidt, door iedereen wordt meegebeden. We vragen twee heel concrete dingen. (1) Ons dagelijks brood en (2) vergiffenis van onze zonden.

Er zijn veel psychologische modellen waarin de ‘basisbehoeften’ van de mens worden opgelijst, maar het onze-vader geeft er ons slechts twee. Een behoefte van het lichaam, en een behoefte van de ziel. Het lichaam heeft voedsel nodig om te leven, en de ziel behoeft vrijheid van zonde.

Als wij het onze-vader bidden, is het smeekgebed voor ‘ons dagelijks brood’ een formaliteit. Wij hoeven niet te vrezen voor ons dagelijks brood. We zijn zo rijk dat we zelfs veel voedsel weggooien, dat de ‘vervaldatum’ heeft overschreden, of dat we gewoon niet lekker vinden. En mochten we ‘arm’ worden, is er nog steeds de staat die ons van ’solidariteit’ voorziet. Echt veel reden om God te danken voor ons dagelijks brood, hebben we dus niet — zo lijkt het wel. Maar menen dat het allemaal onze eigen verdienste is, is hoogmoed. Dus is het goed dat we er ons in een tafelgebed aan kunnen herinneren!

Het tweede deel van het smeekgebed, is veel crucialer. Hierin staat de zuiverheid van onze ziel centraal. We vragen God vergiffenis voor onze zonden. En in tegenstelling tot het dagelijks brood, dat we ‘gratis’ (= vanwege Gods genade) vragen, stellen we voor de vergiffenis van onze zonden meteen een tegenprestatie: de vergiffenis aan onze zondenaren.

Elke keer als we het onze-vader bidden, bekennen we het kernpunt van onze relatie tot God: de vergiffenis van onze zonden. Dit is het enige punt waarop elke christen heel expliciet een wederkerige relatie met God uitspreekt. Als er e’e'n manier is waarop we God kunnen leren kennen, is het door vergiffenis te geven en vergiffenis te vragen. Jezus heeft ons de woorden in de mond gelegd waarmee we tot de Vader kunnen bidden, en het enige waarvoor Hij ons verantwoording laat afleggen, is dat we mekaar vergeven, opdat we ook van de Vader vergiffenis zouden ontvangen. Voor de rest moeten we niks doen, dat mogen we allemaal afsmeken, maar de vergiffenis niet, daarvoor hebben wijzelf de sleutel in de hand.

En gelukkig heeft onze Moeder de H. Kerk deze verzuchting van de Heer niet veronachtzaamd, want zij voorziet voor ons het sacrament van de biecht. Hoe contrasterend ook met de leefgewoontes van onze tijd, juist daarom biedt het ons de gelegenheid in nederigheid tot God te treden, en de woorden van het onze-vader waar te maken.

In welk een schril contrast staat deze boodschap van Jezus, die we onszelf in het oor schreeuwen telkens we het onze-vader bidden, met de geloofspraktijk van de kerk, waarin over zondebesef niet wordt gesproken en waarin het sacrament van de verzoening de facto afgeschaft is?





Lex orandi, lex credendi, lex laboranda

28 juni 2010 21:35

Een fundamentele kwestie die in deze blog aan de orde komt, is de vraag hoe we het geloof zo kunnen beleven dat we het ook kunnen uitdragen. Iedereen heeft van Christus de opdracht gekregen het geloof uit te dragen, maar niet iedereen heeft daartoe dezelfde middelen of gaven. Hoe dan ook moet er voldoende capaciteit tot geloofsoverdracht zijn, anders verdwijnt de geloofsgemeenschap.

Bidden is een combinatie van weten en van doen. Het is daarom logisch dat het overdragen van geloof zich in diezelfde dimensies afspeelt.

De katholieke kerk zegt: “lex orandi, lex credendi” om de eenheid tussen liturgie en geloofsleer te duiden. In de regel van Benedictus geldt het adagium “ora et labora”. Ik zou beide stelregels willen versmelten tot “lex orandi, lex credendi, lex laboranda”. Geloof, werk en gebed zijn een eenheid.

Wie bidt, moet nadenken over zijn geloof en over zijn werken. Wie graag over geloof nadenkt, heeft er baat bij geregeld in gebed tot bezinning te komen en in zijn werken de daad bij het woord te voegen. Wie goede werken doet, moet God in gebed dankend beseffen dat het de Goddelijke genade is die onder de mensen komt.

Wie zo gelooft, kan geloof doorgeven. Een geloofsgemeenchap is maar levend, als zij krachtig genoeg is om volgens de leer, zowel in gebed als in werken, van het geloof kan getuigen.





Herkenbaarheid

23 juni 2010 08:12

De jongerenzender van de Vlaamse openbare radio-omroep, Studio Brussel, voert deze dagen volgende reclame:

Nog iets op te biechten over de festivals?

Acher deze campagne zit een webstek waarop je filmpjes kan posten waarin je ‘bekentenissen’ doet over dingen die je vorig jaar op de festivals (verkeerd) hebt gedaan.

Dat is een heel interessante reclame, die bij mij veel vragen oproept.

Veel vragen kan je je stellen over het moreel gehalte van deze campagne, die er natuurlijk op doelt breed uit te hangen welke vrijheid je als jongere op zo’n festival wel niet kan beleven.

Maar mijn belangrijkste vraag is meer reclame-technisch: is het beeld van deze advertentie voor de gemiddelde ‘jongere’-luisteraar herkenbaar? Zouden er niet veel jongeren zijn die zelfs de connotatie met de biechtstoel niet kunnen maken?

Benevens het feit dat in deze campagne de biecht wordt gebanaliseerd, wat storend zou kunnen zijn voor een gelovig katholiek, vind ik het wel straf dat men meent dat het beeld van de biecht genoeg aanknopingspunten biedt om ueberhaupt een campagne rond op te zetten.

Daarmee is de campagne wel een goeie zaak, want ze toont aan dat de katholieke geloofspraktijk -ook al is ze vandaag de dag zelfs in de kerk quasi uitgestorven- nog een breed draagvlak kent in het cultuurpatrimonium van de jongere generatie. En dat draagvlak wordt ermee nog verbreed, want wie die campagne ziet, zal zich toch wel even moeten afvragen wat die advertentie precies voorstelt.

Het zwaard is tweesnijdend, want wat blijft hangen is een beeld dat weinig met de echte biecht te maken heeft, maar dat er zowiezo een beeld van de biecht leeft, vind ik al heel wat!

En dat beeld biedt voor een enkeling misschien voldoende herkenbaarheid om ooit eens echt de biechtstoel binnen te stappen.





Mechelse Catechismus

19 juni 2010 21:11

“Niet meer van deze tijd” zal je zeggen, maar de Mechelse Catechismus is de ultieme bron van geloof waarmee generaties Vlaamse katholieken zijn opgevoed. Dit pedagogische hulpmiddel is -samen met andere middelen van geloofsopvoeding- ook vandaag nog een referentie voor zelfstudie of opvoeding in de katholieke geloofsleer.

Nu hoef je hiervoor niet langer de antiquariaten plat te lopen of op grootvaders zolder kruipen om een beduimeld exemplaar te bemachtigen, maar kan je dit werkje ook online gebruiken.

De implementatie is beschikbaar in twee vormen:

  1. PDF-documenten waarop de vragen-en-antwoorden per leerniveau zijn gegroepeerd, te bekomen op scribd.
  2. Online-leerhulpmiddel wrts, waarop je jezelf moet aanmelden, de vragenlijsten per leerniveau kan overnemen, en online overhoringen kan uitvoeren.
    TIP: selecteer bij het overhoren de optie “in gedachten”, want deze tool is gericht op overhoringen van woordenlijsten in vreemde talen, en dus de andere overhoringsmethodes zijn niet erg adequaat voor de vraag-en-antwoord-opstelling van de catechismus.




De Heiligen van Zichem

18 juni 2010 16:06

Wanneer heeft een boek je laatst in ontroering gebracht? Ik lees minder dan een dozijn boeken per jaar, en ben daardoor misschien wat ontvankelijker. De voorbije dagen heb ik “De heiligen van Zichem” gelezen, een kort werkje van Ernest Claes, en was haast tot tranen toe bewogen door de beschrijving van de intense (wederzijdse!) relatie tussen het Zichemse volkje en de heiligenbeelden die in hun kerk vereerd worden (of soms: geargwaand). En het gaat niet zozeer over de goddelijke genade die de heiligen bemiddelen, maar ook over de spontane genegenheid waarmee de mensen ‘hun’  heiligen bejegenen. Het is alsof ze allen lid zijn van één groot gezin. Om zoiets te schrijven, moet je niet alleen een groot schrijver zijn – en dat was Claes zonder twijfel -, maar bovendien een doorleefd geloof hebben en een warme liefde voor zijn volk – en deze beide genaden waren Claes blijkbaar ook gegund.





“Wie gelooft die mensen nog?”

5 juni 2010 20:31

Mark Grammens schrijft in Journaal het volgende (uitgebreid citaat):

Op 23 jui 1997 rond het middaguur, na afloop van de gebruikelijke maandagse bijeenkomsten van hun partijbestuur, zaten de voorzitters van de vier Franstalige partijen bijeen in een chique bedoening op de Brusselse Grote Markt, waar de Franstalige elite graag gezien wordt in gezelschap van leden van de Franse ambassade. Het initiatief voor deze eerste bijeenkomst van alle Franstalige partijen ging uit van Busquin en Michel, die elkaar goed kenden uit de vrijmetselaarloge (Grootoosten). Een Franstalig front diende tot stand woren gebracht, met drie doelstellingen:

  1. het principeel afwijzen van alle voorstellen oor een nieuwe staatshervorming;
  2. de versterking van de Belgische staat, als garant voor het institutionele status-quo, en voor het behoud van de welvaartstransfers
  3. de aansluiting van Brussel bij Wallonie, ter versteviging van de plaats van de francofonie en van de voorgaande twee doelstellingen in Belgie.

Welnu, dit “front” van alle Franstalige partijen heeft al dertien jaar standgehouden.

Ik heb geen enkele reden om Grammens in deze waarneming te wantrouwen. En dus, in zekere zin, gaat dit artikel ook over geloof. “Wie gelooft die mensen nog” was de uitspraak van Leterme destijds, maar ketst nu terug in het gezicht van zijn partij… en zal terugketsen in het gezicht van eender welke onderhandelende partij. Over het afleggen van valse getuigenissen staat iets in de Tien Geboden, als ik me niet vergis.

De oplossing voor (van) Belgie ligt dus niet in nieuwe onderhandelingen, want de Franstaligen zullen die eensgezind verzieken. De enige oplossing ligt in de verzieking van Belgie zelf, oftewel: de onmogelijkheid een regering te vormen. Elementaire logica zal de kiezer zelf tot de enige slotsom leiden.





De campagne van de laatste kans

2 juni 2010 13:00

Voor kamerlid Alexandra Colen is het de campagne van de laatste kans. Door het partijbestuur uitgerangeerd naar de lijstduwersplaats, moet ze het met voorkeurstemmen zien te rooien. Dat maakt wel dat Colen een campagne voert met heel concrete standpunten en met een krachtdadig populisme (niet in pejoratieve zin te begrijpen) om haar maatschappelijke visie toegang te laten vinden tot breed publiek. Ze werkt meestal rond ethische en maatschappelijke thema’s en sluit in haar visie naadloos aan bij de leer van de rooms-katholieke kerk.

Enkele wapenfeiten:

  • ze begint haar campagne door de misbruikschandalen in de kerk te duiden als gevolg van de seksuele ‘bevrijding’ in de jaren ‘60 en ‘70; ter illustratie publiceert ze in haar verkiezingsfolder (pdf) een shockerend artikel uit het Parochieblad anno 1984
  • op facebook vraagt Colen of ze dit jaar ook aanspraak mag maken op de homofobieprijs, die ze eind jaren ‘90 ook al eens ontving
  • eveneens op facebook ontvangt ze vervolgens doodsbedreigingen, waarop ze handig inspeelt door politiebescherming te vragen, en de sluiting van een anti-colen-facebookgroep
  • voor komende maandag kondigt Colen een openbare krantenverbranding aan, als aanklacht tegen al te eenzijdige media

Colen is tegendraads, zoveel is duidelijk, maar de strijd die ze voert als politica is niet nieuw en tekent haar hele leven. Ze volgt een rechte lijn en ze is eerlijk. Het zou zonde zijn als zo iemand niet meer in het parlement zou geraken!

En als ze het haalt, is dat niet alleen voor haar partij een duidelijk signaal, maar ook een teken dat er heel wat gelovigen rondlopen die aanvoelen dat het zaad waaruit de malaise in de kerk is voortgekomen, niet zomaar uit de lucht is komen vallen.





Alles wordt echt

26 mei 2010 16:08

Emma kijkt naar Toy Story. Op het ogenblik waarop het speelgoed plots tot leven komt, zegt ze: “Alles wordt echt”. Kinderlijke verbeelding en een semantische verbuiging van ‘echtheid’, samen voldoende om ongewild de essentie van religieus bewustzijn te verwoorden. Want werd ook toen Jezus weer tot leven kwam, niet alles ‘echt’? Is het niet juist deze ultieme waarheid, die door de wereld als kinderlijke fantasie wordt afgedaan?





“Een allegaartje van levensbeschouwelijke dingen”

10 mei 2010 11:40

Godsdienstleraar Jan Maes heeft gelijk als hij mgr. Léonards standpunt over het falende godsdienstonderwijs bekritiseert. De discussie werd een half jaar geleden al in het lang en in het breed gevoerd, naar aanleiding van het initiatief van de Broeders van Liefde, om integraal katholieke scholen op te richten.

De conclusie was:

  • het heeft geen zin in een katholiek school katholiek geloofsonderricht (catechese) te geven, want de meeste leerlingen zijn niet katholiek gelovig;
  • het gebrek aan kennis van de katholieke godsdient moet in de eerste plaats worden ingevuld in het gezin en in de geloofsgemeenschap; en alleen als daar een draagvlak bestaat, krijgt katholiek godsdienstonderricht zin.

Hoewel er genoeg godsdienstleerkrachten zijn die alles geven wat ze kunnen, wijkt de netto-balans niet ver af van mgr. Léonards verdict: “Het is een allegaartje van levensbeschouwelijke dingen.´´ Dat ligt niet zozeer aan die leerkrachten, maar aan het leerlingenpubliek. Een leraar Nederlands die aan een klas anderstaligen moet les geven, waarvan slechts een enkeling thuis Nederlands spreekt, zal ook niet veel verder geraken dan wat prille basiskennis.

In mijn vroegere bijdrage stelde ik voor om scholen beter te profileren en te spreken van ‘christelijk inspiratieonderwijs’ enerzijds, en ‘katholiek geloofsonderwijs’ anderzijs. Zo kunnen gezinnen een duidelijke keuze maken, afhankelijk van hun eigen geloofssituatie.

Inrichting van beide vormen van onderwijs behoort tot de taken van de kerk. Dat is het antwoord op de nieuwe maatschappelijke werkelijkheid. De scholen van het ´christelijk inspiratieonderwijs´ komen beter tot hun recht vanuit een missionaire visie. En in de (weinige) scholen van het ´katholiek geloofsonderwijs´, kan worden geinvesteerd in een hernieuwde catechisatie-visie met actief partnership in het parochieleven en in gezinsgroepen.

Ondertussen is het vrij stil rond het initiatief van de Broeders van Liefde, en heb ik ook geen idee wat de nieuwe aartsbisschop ervan vindt. In plaats van kritiek te uiten op de ´traditionele´ scholen van zijn net, heb ik echter het gevoel dat hij beter af zou zijn de maatschappelijke werkelijkheid te omarmen, een praatje te maken met de Broeders van Liefde en de diversifiëring van het onderwijsnet ten gronde uit te diepen.