Leuk of stom?
Net als volwassenen, hechten kinderen een waardeoordeel aan de dingen die ze doen. Sommige dingen zijn plezant, andere dingen zijn stom. Opvoeding draait grotendeels rond de vorming van dit waardeoordeel. Niet alle ‘plezante’ dingen zijn immers goed, en niet alle ’stomme’ dingen zijn slecht. Door de vorming van verantwoordelijkheidsgevoel en van inzicht in de rol die handelingen spelen in gemeenschapsleven (te beginnen met het gezin), leren kinderen een juiste qualificatie te koppelen aan hun doen en laten en kunnen ze leren dat het soms beter is iets ‘plezants’ achterwege te laten en een ’stomme’ taak toch uit te voeren. Een kind staat daarvoor ook open, want als je hen zegt iets te doen of iets te laten, klinkt steevast als antwoord: “Waarom?”
Er zijn twee belangrijke factoren in het spel die een waardeoordeel bepalen. Ten eerste is er het onderscheid tussen de dingen die nieuw zijn, uniek of ’speciaal voor jou’ enerzijds en de dingen die ze gewoon zijn, zich herhalen en die ‘iedereen doet’ anderzijds. Haast automatisch wordt de eerste categorie gekwalificeerd als ‘leuk’ en de tweede als ’stom’. De tweede factor is het onderscheid tussen de dingen die je uit jezelf doet en de dingen die iemand anders vertelt dat je ze moet doen. Hier geldt dezelfde automatische kwalificatie.
Het bespelen van die factoren om een kind tot een juist waardeoordeel te brengen is niet altijd eenvoudig. Je moet een kind aandacht geven en nieuwe ervaringen schenken, maar het is niet altijd de juiste keuze om een kind te paaien met ‘nieuwe’ dingen en door ‘voor jou iets speciaals’ uit de kast te halen. Je moet een kind stimuleren in het nemen van initiatief, maar het is zeker niet de juiste keuze om een kind te paaien door systematisch in te gaan op zijn initiatieven. Veel kinderen worden vandaag teveel gepaaid. Ze worden overstelpt met steeds nieuw en flitsender speelgoed en ditto activiteiten. Over kinderen die steeds hun zin krijgen, zullen we het maar niet hebben. Zo komen ze niet tot een goed waardeoordeel.
Er is dus meer in het spel dan het bespelen van deze factoren. Het komt erop aan de schijnbare tegenstelling te doorbreken tussen wat gewoon is en wat speciaal is en tussen initiatief en dwang.
Kinderen moeten leren dat alles wat ze doen of niet doen, een betekenis heeft in het samenleven met anderen en dat die bijzondere betekenis eigenlijk de doorslaggevende factor moet worden in hun waardeoordeel, belangrijker dan de eerder genoemde kwalificaties, die leiden tot een oppervlakkig waardeoordeel. Alleen met dat inzicht, worden goede dingen leuk en slechte dingen stom.
In de geloofsopvoeding speelt dit nog dubbel zo sterk. Daarover hoop ik in volgende bijdragen uit te wijden. En een ander inzicht dat tot zijn recht mag komen, is dat volwassenen eigenlijk niet anders ineenzitten dan kinderen, zeker als je gaat bekijken hoe volwassenen omgaan met geloofsvorming… Ook daarover bij gelegenheid meer.
